1 Referentiekaarten

1.0.1 KRW waterlichamen

Voor de KRW is een groot deel van het oppervlaktewater aangewezen als waterlichaam. Een waterlichaam is een “onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een rivier of een kanaal”. Voor deze wateren moet de toestand van het aquatisch ecosysteem beschreven worden. Onder oppervlaktewateren van “aanzienlijke omvang” vallen waterlichamen met een minimale oppervlakte van 0,5 km2 of een stroomgebied tussen de 10 en 100 km2. In onderstaande afbeelding staan de KRW waterlichamen in het beheergebied van AGV.

In de Kaderrichtlijn Water (KRW) is een indeling gemaakt in verschillende typen oppervlaktewater. Deze zijn ingedeeld naar hydromorfologische eigenschappen, type bodem en naar zoet, brak of zout water. De hydromorfologische eigenschappen zijn de stroming, de grootte of breedte en de diepte. Een belangrijk onderscheid is in stilstaand of stromend water. De bodem is belangrijk voor het onderscheid naar een veenbodem (met veel organisch materiaal), kiezels, klei, zand of kalk. Deze indeling is belangrijk voor de doelen die in de KRW gesteld worden, omdat voor elk watertype kwaliteitseisen opgesteld zijn. De watertypen worden zichtbaar wanneer er op een waterlichaam wordt geklikt.