5 Ontmoetingen met Jezus (2)

Gemeente Datum
CG De Bron Bodegraven 2020-11-05

Drie studies over ontmoetingen met Jezus.
Vraag: hoe heb jij Jezus ontmoet?

5.1 Terugblik studie (1)

Doel van Johannes met Zijn evangelie, zie 20: 30-31
Johannes 1: proloog. Ontmoeting van de lezer met Jezus. Johannes maakt vanaf begin duidelijk dat het evangelie zich af speelt in de bedding van de Tenach, zie bijvoorbeeld:

  • εν αρχη; 1:1 –> Genesis 1: 1
  • φως - licht; σκοτι- - duisternis; begrippen uit Genesis 1: 2, 3
  • genade en waarheid; belangrijke begrippen als het om de Here God gaat worden betrokken op Jezus; וְרַב־חֶסֶד וֶאֱמֶת vgl. Joh. 1: 14 –> Ex. 34:6
  • Johannes de Doper aan wie gevraaggd wordt of hij de Messias is, of de profeet, of Elia
  • Johannes de Doper die verwijst naar Jesaja 40: 3-5 (deze verzen spreken ook over de heerlijkheid van de Heer die zich zal openbaren)

Een en ander komt samen in 1: 14

και ο λογος σαρξ εγενετο και εσκηνωσεν εν ημιν και εθεασαμεθα την δοξαν αυτου δοξαν ως μονογενους παρα πατρος πληρης χαριτος και αληθειας (1: 14; WH Greek)

En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.
(1: 14; NBG)

Ook geen misverstand over wie de hoofdpersoon is, Jezus Messias.
Zo ontmoet de leze Hem in de proloog van het evangelie van Johannes.

  • Het waarachtige licht dat ieder mens verlicht, komende in de wereld (vs 9)
  • Degene die hen die Hem aannemen, volmacht geeft, kind van God te worden (vs 12)
  • Het Woord dat mens geworden, vol van genade en waarheid (vs 14)
  • Degene die ons God doet kennen (vs 18)
  • Het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt (vs 29)
  • Degene die met de Heilge Geest doopt (vs 33)
  • De Zoon van God (vs 34)
  • Rabbi (vs 38)

5.2 Studie 2: Johannes 1: 41 - 51

40 Ἦν Ἀνδρέας ὁ ἀδελφὸς Σίμωνος Πέτρου εἷς ἐκ τῶν δύο τῶν ἀκουσάντων παρὰ Ἰωάννου καὶ ἀκολουθησάντων αὐτῷ·
41 εὑρίσκει οὗτος πρῶτον τὸν ἀδελφὸν τὸν ἴδιον Σίμωνα καὶ λέγει αὐτῷ· εὑρήκαμεν τὸν Μεσσίαν, ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον χριστός.

41 Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren;
42 deze vond eerst zijn broeder Simon en zeide tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, wat betekent: Christus.

(slot studie 1) En wat ook zeker is, is dat deze ontmoeting iets in gang zet. Andreas vindt zijn broer Simon (Petrus) en zegt Hem de Messias gevonden te hebben. Mooi is dat verwoord toch. Jezus vroeg: wat zoekt u? Daar konden ze niet echt een antwoord op geven. Maar ze weten wel wie ze gevonden hebben, de Messias. Alsof de tekst duidelijk maakt, dat Jezus de vraag wat zij zochten voor hen beantwoord heeft. Mooie gedachte, Jezus weet waar je ten diepste naar op zoek bent, naar Hem de Messias, de Gezalfde van God.

Twee discipelen van Johannes de Doper, Andreas en vermoedelijk Johannes, worden als de eerste volgelingen van Jezus Messias genoemd in Johannes’ evangelie.
Andreas wordt geintroduceerd als de broer van Simon Petrus. <wat zegt dit?>
Andreas heeft op basis van ingaan op de uitnodiging van Jezus, ‘kom en zie’, gevonden dat Jezus de Messias is.

De verwachting van een komende Messias is overigens niet zomaar in het OT terug te vinden. Het woord Messias/ Gezalfde komen wij veel tegen. Zo is bijvoorbeeld Saul de koning die keer op keer door David de Gezalfde van de Heer (מְשִׁיחַ יְהוָה) wordt genoemd.
Ook andere koningen worden met de titel Messias van de Heer aangeduid, o.a. Kores (Jesaja 45: 1).
Gevoegd bij beloften over de zoon van David die op de troon zal zitten (2 Samuel 7) en een periode waarin de troon van David niet bezet was, leeft er de verwachting van de komst van een Messias, door wie het werk van de Heer voortgang zal hebben, uitmondend in het Koninkrijk van God.
Belangrijke tekst in dit verband is Daniel 9: 25-26; let op, het bepaald lidwoord ontbreekt hier.

25 Weet– dan en versta–: vanaf het ogenblik, dat het woord- uitging- om Jeruzalem- te herstellen– en te herbouwen– tot op een gezalfde-, een vorst-, zijn zeven- weken-; en tweeenzestig– weken- lang zal het hersteld– en herbouwd– blijven, met plein- en gracht-, maar in de druk- der tijden-. - -26 En na- de tweeenzestig– weken- zal een gezalfde- worden uitgeroeid–, terwijl er niets tegen hem is; en het volk- van een vorst- die komen zal–, zal de stad- en het heiligdom- te gronde richten–, maar zijn einde- zal zijn in de overstroming-; en tot het einde- toe zal er strijd- zijn: verwoestingen–, waartoe vast besloten is–.

Johannes 1: 42-47

42 ἤγαγεν αὐτὸν πρὸς τὸν Ἰησοῦν. ἐμβλέψας αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν· σὺ εἶ Σίμων ὁ υἱὸς Ἰωάννου, σὺ κληθήσῃ Κηφᾶς, ὃ ἑρμηνεύεται Πέτρος.
43 Τῇ ἐπαύριον ἠθέλησεν ἐξελθεῖν εἰς τὴν Γαλιλαίαν καὶ εὑρίσκει Φίλιππον. καὶ λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς· ἀκολούθει μοι.
44 ἦν δὲ ὁ Φίλιππος ἀπὸ Βηθσαϊδά, ἐκ τῆς πόλεως Ἀνδρέου καὶ Πέτρου.
45 εὑρίσκει Φίλιππος τὸν Ναθαναὴλ καὶ λέγει αὐτῷ· ὃν ἔγραψεν Μωϋσῆς ἐν τῷ νόμῳ καὶ οἱ προφῆται εὑρήκαμεν, Ἰησοῦν υἱὸν τοῦ Ἰωσὴφ τὸν ἀπὸ Ναζαρέτ.
46 καὶ εἶπεν αὐτῷ Ναθαναήλ· ἐκ Ναζαρὲτ δύναταί τι ἀγαθὸν εἶναι; λέγει αὐτῷ [ὁ] Φίλιππος· ἔρχου καὶ ἴδε. 
47 Εἶδεν ὁ Ἰησοῦς τὸν Ναθαναὴλ ἐρχόμενον πρὸς αὐτὸν καὶ λέγει περὶ αὐτοῦ· ἴδε ἀληθῶς Ἰσραηλίτης ἐν ᾧ δόλος οὐκ ἔστιν.
.

43 Hij leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus.
44 De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond Filippus. En Jezus zeide tot hem: Volg Mij.
45 Filippus nu was uit Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.
46 Filippus vond Natanaël en zeide tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.
47 En Natanaël zeide tot hem: Kan uit Nazaret iets goeds komen? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.

Simon wordt bij Jezus gebracht; en Jezus blijkt ook hem te kennen, ‘jij bent Simon, de zoon van Johannes’ (andere handschriften hebben Jonas). Mooie toevoeging: ‘jij zult genoemd worden Petrus.’ Genoemd worden heeft de betekenis van ‘zijn’, ‘jij zult een Πέτρος zijn’.

De volgende dag vindt Jezus Filippus en roept Filippus op Hem te volgen (in de gebiedende wijs). Filippus volgt Jezus en herkent Hem als de in de Tenach beloofde Messias. Hoe hij hem als zodanig herkent, wordt ons niet meegedeeld. Wel dat Filippus Natanael vindt, meer letterlijk staat er “Degene van wie geschreven heeft Mozes en ook de profeten, hebben wij gevonden, Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth.” Met deze zinsvolgorde wordt opnieuw benadrukt dat het evangelie zich afspeelt in de bedding van de Tenach.
<wat zegt je dit over Natanael dat Filippus Jezus op deze wijze bij hem introduceert?> Natanael is niet overtuigd, kan uit Nazareth iets goeds komen? Waar wij bij Simon en Filippus geen tegenwerpingen horen, horen wij die bij Natanael wel. Kan uit Nazareth iets goeds komen? Nu kunnen wij Natanael beschuldigen van vooroordelen, alsof hij zoiets zegt als kan uit Loosduinen (of Lunteren of …) iets goeds voortkomen? Maar waarschijnlijker is, dat hij hier een punt heeft.
Filippus heeft het over Degene van wie Mozes en de profeten gesproken hebben, maar over Nazareth heeft Mozes het niet, evenmin als de profeten. Dus zo gek is dat antwoord van Natanael niet. Eerder een eerlijk antwoord. Je kunt er ook een verzuchting in horen. Kijk, Filippus spreekt tegen Natanael over Degene waarvan Mozes en de profeten gesproken hebben. Het zegt iets over Natanael, dat Filippus dit argument gebruikt. Je proeft in die woorden een verlangen van Natanael naar Deze waarvan Mozes en de profeten gesproken hebben. En zijn nuchtere constatering is, dat komen uit Nazareth, niet past bij het op de bijbel ge-ente verwachtingspatroon van deze Beloofde. Wist hij of Filippus veel van de geboorte in Bethlehem. Natanael had theologisch gelijk. En wat antwoordt Filippus: Kom en zie. De woorden waarmee die eerste twee uitgenodigd werden door Jezus toen ze vroegen waar Hij verbleef. En het mooie is dat Natanael aan die oproep gehoor geeft. Wellicht het beste getuigenis dat er is, kom en zie. Maak zelf kennis met Jezus.

48 λέγει αὐτῷ Ναθαναήλ· πόθεν με γινώσκεις; ἀπεκρίθη Ἰησοῦς καὶ εἶπεν αὐτῷ· πρὸ τοῦ σε Φίλιππον φωνῆσαι ὄντα ὑπὸ τὴν συκῆν εἶδόν σε.
49 ἀπεκρίθη αὐτῷ Ναθαναήλ· ῥαββί, σὺ εἶ ὁ υἱὸς τοῦ θεοῦ, σὺ βασιλεὺς εἶ τοῦ Ἰσραήλ . 50 ἀπεκρίθη Ἰησοῦς καὶ εἶπεν αὐτῷ· ὅτι εἶπόν σοι ὅτι εἶδόν σε ὑποκάτω τῆς συκῆς, πιστεύεις; μείζω τούτων ὄψῃ.
51 καὶ λέγει αὐτῷ· ἀμὴν ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ὄψεσθε
τὸν οὐρανὸν ἀνεῳγότα καὶ τοὺς ἀγγέλους τοῦ θεοῦ ἀναβαίνοντας καὶ καταβαίνοντας ἐπὶ τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου

48 Jezus zag Natanaël tot Zich komen en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is!
49 Natanaël zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom.
50 Natanaël antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israël!
51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze.
52 En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden, gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen.

Zie ook Genesis 28: 10-18; 32: 24-32 (i.h.b. vs 31)

Gen. 28: 10-18 10 וַיֵּצֵ֥א יַעֲקֹ֖ב מִבְּאֵ֣ר שָׁ֑בַע וַיֵּ֖לֶךְ חָרָֽנָה׃
11 וַיִּפְגַּ֨ע בַּמָּקֹ֜ום וַיָּ֤לֶן שָׁם֙ כִּי־בָ֣א הַשֶּׁ֔מֶשׁ וַיִּקַּח֙ מֵאַבְנֵ֣י הַמָּקֹ֔ום וַיָּ֖שֶׂם מְרַֽאֲשֹׁתָ֑יו וַיִּשְׁכַּ֖ב בַּמָּקֹ֥ום הַהֽוּא׃
12 וַֽיַּחֲלֹ֗ם וְהִנֵּ֤ה סֻלָּם֙ מֻצָּ֣ב אַ֔רְצָה וְרֹאשֹׁ֖ו מַגִּ֣יעַ הַשָּׁמָ֑יְמָה וְהִנֵּה֙ מַלְאֲכֵ֣י אֱלֹהִ֔ים עֹלִ֥ים וְיֹרְדִ֖ים בֹּֽו׃
13 וְהִנֵּ֨ה יְהוָ֜ה נִצָּ֣ב עָלָיו֮ וַיֹּאמַר֒ אֲנִ֣י יְהוָ֗ה אֱלֹהֵי֙ אַבְרָהָ֣ם אָבִ֔יךָ וֵאלֹהֵ֖י יִצְחָ֑ק הָאָ֗רֶץ אֲשֶׁ֤ר אַתָּה֙ שֹׁכֵ֣ב עָלֶ֔יהָ לְךָ֥ אֶתְּנֶ֖נָּה וּלְזַרְעֶֽךָ׃
14 וְהָיָ֤ה זַרְעֲךָ֙ כַּעֲפַ֣ר הָאָ֔רֶץ וּפָרַצְתָּ֛ יָ֥מָּה וָקֵ֖דְמָה וְצָפֹ֣נָה וָנֶ֑גְבָּה וְנִבְרֲכ֥וּ בְךָ֛ כָּל־מִשְׁפְּחֹ֥ת הָאֲדָמָ֖ה וּבְזַרְעֶֽךָ׃
15 וְהִנֵּ֨ה אָנֹכִ֜י עִמָּ֗ךְ וּשְׁמַרְתִּ֨יךָ֙ בְּכֹ֣ל אֲשֶׁר־תֵּלֵ֔ךְ וַהֲשִׁ֣בֹתִ֔יךָ אֶל־הָאֲדָמָ֖ה הַזֹּ֑את כִּ֚י לֹ֣א אֶֽעֱזָבְךָ֔ עַ֚ד אֲשֶׁ֣ר אִם־עָשִׂ֔יתִי אֵ֥ת אֲשֶׁר־דִּבַּ֖רְתִּי לָֽךְ׃
16 וַיִּיקַ֣ץ יַעֲקֹב֮ מִשְּׁנָתֹו֒ וַיֹּ֕אמֶר אָכֵן֙ יֵ֣שׁ יְהוָ֔ה בַּמָּקֹ֖ום הַזֶּ֑ה וְאָנֹכִ֖י לֹ֥א יָדָֽעְתִּי׃
17 וַיִּירָא֙ וַיֹּאמַ֔ר מַה־נֹּורָ֖א הַמָּקֹ֣ום הַזֶּ֑ה אֵ֣ין זֶ֗ה כִּ֚י אִם־בֵּ֣ית אֱלֹהִ֔ים וְזֶ֖ה שַׁ֥עַר הַשָּׁמָֽיִם׃
18 וַיַּשְׁכֵּ֨ם יַעֲקֹ֜ב בַּבֹּ֗קֶר וַיִּקַּ֤ח אֶת־הָאֶ֨בֶן֙ אֲשֶׁר־שָׂ֣ם מְרַֽאֲשֹׁתָ֔יו וַיָּ֥שֶׂם אֹתָ֖הּ מַצֵּבָ֑ה וַיִּצֹ֥ק שֶׁ֖מֶן עַל־רֹאשָֽׁהּ׃

10 Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran.
11 En hij bereikte een plaats, waar hij bleef overnachten, omdat de zon ondergegaan was. En hij nam een van de stenen der plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats slapen. 12 Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder.
13 En zie, de HERE stond bovenaan en zeide: Ik ben de HERE, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven.
14 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.
16 Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Waarlijk, de HERE is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten.
17 En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels.
18 De volgende morgen vroeg nam Jakob de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde die tot een opgerichte steen en goot er olie bovenop.

Gen. 32: 24-32
וַיִּקָּחֵ֔ם וַיַּֽעֲבִרֵ֖ם אֶת־הַנָּ֑חַל וַֽיַּעֲבֵ֖ר אֶת־אֲשֶׁר־לֹו׃ 25 וַיִּוָּתֵ֥ר יַעֲקֹ֖ב לְבַדֹּ֑ו וַיֵּאָבֵ֥ק אִישׁ֙ עִמֹּ֔ו עַ֖ד עֲלֹ֥ות הַשָּֽׁחַר׃
26 וַיַּ֗רְא כִּ֣י לֹ֤א יָכֹל֙ לֹ֔ו וַיִּגַּ֖ע בְּכַף־יְרֵכֹ֑ו וַתֵּ֨קַע֙ כַּף־יֶ֣רֶךְ יַעֲקֹ֔ב בְּהֵֽאָבְקֹ֖ו עִמֹּֽו׃
27 וַיֹּ֣אמֶר שַׁלְּחֵ֔נִי כִּ֥י עָלָ֖ה הַשָּׁ֑חַר וַיֹּ֨אמֶר֙ לֹ֣א אֲשַֽׁלֵּחֲךָ֔ כִּ֖י אִם־בֵּרַכְתָּֽנִי׃
28 וַיֹּ֥אמֶר אֵלָ֖יו מַה־שְּׁמֶ֑ךָ וַיֹּ֖אמֶר יַעֲקֹֽב׃
29 וַיֹּ֗אמֶר לֹ֤א יַעֲקֹב֙ יֵאָמֵ֥ר עֹוד֙ שִׁמְךָ֔ כִּ֖י אִם־יִשְׂרָאֵ֑ל כִּֽי־שָׂרִ֧יתָ עִם־אֱלֹהִ֛ים וְעִם־אֲנָשִׁ֖ים וַתּוּכָֽל׃
30 וַיִּשְׁאַ֣ל יַעֲקֹ֗ב וַיֹּ֨אמֶר֙ הַגִּֽידָה־נָּ֣א שְׁמֶ֔ךָ וַיֹּ֕אמֶר לָ֥מָּה זֶּ֖ה תִּשְׁאַ֣ל לִשְׁמִ֑י וַיְבָ֥רֶךְ אֹתֹ֖ו שָֽׁם׃
31 וַיִּקְרָ֧א יַעֲקֹ֛ב שֵׁ֥ם הַמָּקֹ֖ום פְּנִיאֵ֑ל כִּֽי־רָאִ֤יתִי אֱלֹהִים֙ פָּנִ֣ים אֶל־פָּנִ֔ים וַתִּנָּצֵ֖ל נַפְשִֽׁי׃
32 וַיִּֽזְרַֽח־לֹ֣ו הַשֶּׁ֔מֶשׁ כַּאֲשֶׁ֥ר עָבַ֖ר אֶת־פְּנוּאֵ֑ל וְה֥וּא צֹלֵ֖עַ עַל־יְרֵכֹֽו׃

24 Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak. 25 Toen deze zag, dat hij hem niet overmocht, sloeg hij hem op zijn heupgewricht, zodat Jakobs heupgewricht ontwricht werd, terwijl hij met hem worstelde. 26 Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent. 27 Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. 28 Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht. 29 Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uw naam. Maar hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? En hij zegende hem daar. 30 En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zeide hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven. 31 En de zon ging over hem op, toen hij door Penuël getrokken was; en hij ging mank aan zijn heup.

Jezus ziet Natanael komen en blijkt hem te kennen voordat ze kennis gemaakt hebben: “waarlijk een Israeliet in wie geen bedrog is.” Een echte zoon van Israel. Wat Natanael in deze woorden gehoord heeft, weten wij niet. Maar hij heeft zichzelf daarin herkend en weet zich door Jezus gekend. Misschien vraagt u zich af hoe dat kan in zo’n zinnetje. Nu weten wij niet of het gesprek langer geweest is dan wat Johannes heeft opgeschreven, maar zelfs als dat niet het geval is. Misschien heeft Natanael zichzelf herkend in de worsteling van Jakob. Of wist hij zich een echte Israeliet omdat de hoop op de God van Israel, kenmerk van een echte zoon van Israel, hem op de been hield. Hoe dan ook, Hij weet zich door Jezus gekend, nog voordat ze kennis hebben gemaakt: Vanwaar kent U mij? Wat is dit een mooi gesprek aan het worden!! Voordat Filippus u zag, was je door Mij gezien onder de vijgeboom Natanael. Wat zoekt een mens nog meer dan dat hij door Jezus gezien is. En met dat onder de vijgeboom, ook wel beeld van Israel in de bijbel, wordt nog eens benadrukt dat Jezus een Israeliet gezien heeft in Natanael. De vijgenboom is ook de plek voor meditatie, zitten onder de vijgenboom is beeld van leven onder Gods genade en zegen. Ook hier weten wij niet wat Natanael zo trof in deze woorden, maar wel dat ze hem in zijn hart raakten en hem tot de erkenning brengen: U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israel. Deze echte zoon van Israel die gehoor geeft aan de oproep van Filippus om te komen en te zien, ontmoet hier Degene waar hij zo naar uitgezien heeft. En het zal niet anders zijn geweest dan bij Petrus als hij Jezus als Messias erkend, vlees en bloed heeft je dit niet geopenbaard Natanael, maar de Vader in de hemelen. Vraag: is dit ook jouw belijdenis, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israel? Inclusief het tweede deel?

Jezus spreekt dan over grotere dingen die Natanael en de anderen mogen zien, de hemel geopend en engelen opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen. Opvallend: nog maar net hebben wij uit Natanaels mond de belijdenis gehoord, U bent de Zoon van God, of Jezus spreekt over Zichzelf als de Zoon van de mens. En komt dan met een beeld dat wij kennen uit het OT, engelen klimmen op en dalen neer. Opnieuw zijn wij bij de geschiedenis van Jakob, op de vlucht voor zijn broer legt hij zich, nadat de zon was ondergegaan, te ruste in Betel. En dan krijgt hij die droom van die ladder en die engelen die daarlangs opklimmen en neerdalen. Engelen zorgen voor hem, klimmen voor hem op naar de hemel, zij waren dus al bij hem, en dalen vanuit de hemel naar hem af. En Jakob ontvangt de belofte van Gods bescherming, al is de zon ondergegaan. Die ladder staat symbool voor de hoop van Jakob, van Israel, ook in de donkere tijden. En Jezus betrekt dit beeld uit Genesis op Zichzelf, je zult engelen zien opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen. Deze Zoon van God, deze Koning van Israel, is ook de Zoon van de mens, die de verbinding is tussen aarde en hemel. Opgericht op aarde, vanuit de hemel. Zo laat Johannes in het eerste hoofdstuk in de eerste plaats Israel, en daarnaast ook ons die de God van Israel zijn gaan dienen, kennis maken met Jezus Messias, de Zoon van God, de Mensenzoon, vanuit de hemel op aarde gekomen als die ladder uit Genesis, de hoop voor de zonen van Israel, die aarde in contact brengt met een geopende hemel.

Wat een ontmoeting heeft Natanael hier met Jezus. Ingaand op de uitnodiging ‘kom en zie’, ontmoet hij Degene die Hem al kent voor de kennismaking, ontmoet hij Degene waar hij in zijn diepste binnenste naar op zoek was onder zijn vijgeboom.
En weet je, wat Natanael hier overkomt, is voor iedere zoeker weggelegd. Ook voor u, die worstelt met levensvragen, geloofsvragen, de moeiten van het leven. Vandaag de uitnodiging: kom en zie. Open Zijn Woord, kom met je vragen en luister naar Hem die jou kent, nog voordat je je hebt voorgesteld.

Samenvattend
Het eerste waar Johannes geen misverstand over laat bestaan is dat het evangelie zich af speelt in de bedding van de Tenach, om die woorden nog maar eens te gebruiken.
Het tweede waar hij vanaf het begin geen misverstand over laat bestaan, is over wie de Hoofdpersoon is, Jezus de Messias, dat is de Christus.

Vervolgens hebben in dat eerste hoofdstuk een vijftal - Andreas, Johannes, Petrus, Filippus en Natanael - (latere) discipelen/ apostelen een levensveranderende ontmoeting met Jezus. Johannes herinnert zich zelfs nog hoe laat het was. In Hem ontmoeten zij Degene waarvan Torah en Nebi’im getuigen.
In Hem ontmoeten zij Iemand die hen al voor de eerste kennismaking kent.

Addendum

De roeping van de eerste discipelen in de andere evangelien.

Mattheus 4
Toen- Hij- nu langs- de zee- van Galilea- ging–, zag– Hij twee- broeders-, Simon-, die Petrus- genoemd wordt–, en- Andreas-, diens- broeder-, een net- in- zee- werpen–; want- zij waren– vissers-.-
-En- Hij zeide– tot hen-: Komt– achter- Mij- en- Ik zal u- vissers- van mensen- maken–.-
-Zij nu- lieten– terstond- hun netten- liggen– en volgden– Hem-.-
-En- vandaar- verder gegaan zijnde–, zag– Hij nog- twee- broeders-, Jakobus-, de- zoon van Zebedeus-, en- Johannes-, zijn- broeder-, in- het schip- met- hun- vader- Zebedeus-, terwijl ze bezig waren hun- netten- in orde te brengen–, en- Hij riep– hen-.-
-Zij lieten– dan- terstond- het schip- en- hun- vader- achter– en volgden– Hem-.-

Markus 1
-En- toen Hij langs- de zee- van Galilea- ging–, zag– Hij Simon- en- Andreas-, de- broeder- van Simon, in- de zee- staan en het net- uitwerpen–, want- zij waren– vissers-.-
-En- Jezus- zeide– tot hen-: Komt achter– Mij- en- Ik zal maken–, dat gij- vissers- van mensen- wordt–.-
-En- zij lieten– terstond- hun- netten- liggen– en volgden– Hem-.-
-En- een weinig- verder gegaan zijnde–, zag– Hij Jakobus-, de zoon- van Zebedeus-, en- Johannes- zijn- broeder-, terwijl- dezen- bezig– waren– in- het schip- hun netten- in– orde– te– brengen–.-
-En- terstond- riep– Hij hen-. En- zij lieten– hun- vader- Zebedeus- in- het schip- achter met- de dagloners- en gingen heen–, Hem- achterna—.-

Lukas
De eerste keer dat wij de naam van een discipel horen is in 4: 38, Simon, zonder dat hij als discipel wordt aangeduid.
Simons roeping staat in 5: 10.

-En- Simon- antwoordde– en zeide—: Meester-, de gehele– nacht- door hebben wij- hard- gewerkt– en niets- gevangen–, maar- op- uw- woord- zal ik de netten- uitzetten–.- -En- toen zij dit- gedaan hadden–, haalden zij– een grote- menigte- vissen- binnen–, en- hun- netten- dreigden te scheuren–.- -En- zij wenkten– hun makkers– in- het andere- schip-, dat zij hen- zouden komen– helpen–. En- dezen kwamen– en- zij vulden– beide- schepen-, tot- zinkens– toe.- - Toen Simon- Petrus- dit zag–, viel hij neder– aan de knieen- van Jezus- en zeide–: Ga uit– van- mij-, want- ik ben– een zondig- mens-, Here-.- -Want- verbazing- had hem– en- allen-, die bij- hem- waren, aangegrepen– over- de vangst- der vissen-, welke- zij gevangen hadden–;- - evenzo- ook- Jakobus- en- Johannes-, de zonen- van Zebedeus-, die- metgezellen- van Simon- waren–. En- Jezus- zeide– tot- Simon-: Wees niet- bevreesd—, van- nu aan- zult gij– mensen- vangen–.-